Fuck! 

Met piepende remmen en een slippend achterwiel komt mijn kickbike tot stilstand voor een groepje mensen dat het nodig vindt om op het fietspad stil te gaan staan. Op anderhalve meter afstand van elkaar. Dat dan weer wel. Stelletje idioten.

In gedachte vervloek ik hen en wat er in Nederland door moest gaan voor natuur. Natuur in de achtertuin van een miljoen stadsbewoners. En dat in fucking corona tijd. Vol met rode afzetlinten die alles verbieden wat de mens verlangt. Natuur als entertainment op een zonnige zaterdag om het de rest van de dagen van de week onbekommerd van een afstandje, want wat-je-niet-ziet-is-er-niet, te verpesten met hun auto’s en vliegtuigen, vleesverslaving en angst voor ouderdom, alles in een eindeloze cirkel van kopen en weggooien.

Door mul zand step ik om ze heen en zet flink af om mijn verloren snelheid weer terug te claimen. Weten ze dan niet?

Nee, ze weten niet, herinner ik mezelf streng. Dat was ongeveer les één geweest.

Hoeveel tijd heb ik nog? En ga ik de plek vinden?

Daar verderop is het even, *zijdank, leeg. Ik kijk goed om me heen naar de boswachter-corona-politie waar ik voor gewaarschuwd ben en duik dan met step en al het duin in. Het mulle zand stribbelt tegen en al snel ben ik gedwongen de step achter een duindoornbosje te verstoppen en te voet verder te gaan.

wide wind, strong water, old stone

Als een mantra herhalen de woorden zich in mijn hoofd. Er is geen vaste formule voor in welke vorm die drie elementen bij elkaar gaan komen. De duinen en de zee hadden me de beste plek geleken om te beginnen met zoeken aangezien die het dichtst bij natuur komen in deze omgeving. 

Ik weet altijd pas wat ik zoek als ik het vind.

En ik ben goed in vinden.

De haast vermengt zich met focus en een zuchtje rust.

In de verte glinstert een duinven tussen een bosje zeedennen door.

Nee.

Ook een herinneringsteen aan gevallen soldaten uit de Tweede Wereldoorlog gemaakt van prachtige natuursteen negeer ik met een gerust hart.

Dan een geluid. Ik voel het meer dan dat ik het hoor.

De branding! 

Natuurlijk.

Ik ploeg een laatste duinpan op en daar is ze. 

Ze vult me van top tot teen. Altijd weer een genot, dat weerzien.

strong water for sure

Eerst dat maar. Hoe ik de rest erbij ga verzinnen zie ik dan wel weer.

Met grote sprongen vlieg ik van het duin naar beneden en wordt het strand op gekatapulteerd. Bijna dwars door een spel met grote blokken hout van vier millennials. De mannen zonder baard, slimme jongens dat ze daar aan hebben weten te ontsnappen. Een beach versie van jeu de boule? Een hond met loshangende riem rent me bijna van mijn sokken. Zou wel passend zijn als ik tegen dat bord ‘verboden voor honden’ aan zou klappen en bewusteloos langs de paal omlaag zou glijden.

Teveel mensen. Hoe kan een vrouw in hemelsnaam fatsoenlijk haar werk doen in een land als dit? Hoe doen vrouwen dat hier?

Aan het einde van het obstakelparcours wacht ze geduldig op me, vrouwe Zee. Ik ben net geduldig genoeg om mijn sportschoenen en sokken uit te doen. Waar heb ik die dopper gelaten? Ik rommel in mijn tas waardoor ik de gepaste eerbied vergeet en als een toerist de zee in stommel. En waarom heb ik niet wat beters meegenomen dan een plastic fucking dopper?!

Anyway. 

Ik vul de dopper met zeewater. Is dat witte schuim vervuiling of iets wat gewoon hoort? Ik heb geen idee. Tijd om me bij te scholen over de eigenaardigheden van deze plek. Past time.

Nu.

Wat?

Ik laat me stilvallen. Mijn voeten in de branding. Langzaam laat ik me draaien. De horizon is een scherpe streep vandaag. 

In een hoek van 90 graden op die horizontale streep trekt het besef wat ik kom doen door me heen van boven naar beneden. 

Een levenslijn.

Voor hem.

Mijn lief.

strong water

check

wide wind

plenty

Maar old stone?
Waar vind je dat aan een strand in een stukje delta propvol met miljoenen mensen? Terwijl de tijd tikt.

Met een zucht van verlichting weet ik het.

Zand was ooit steen. Of is zelfs steen, in minuscule vorm. Ik heb de beschikking over een heel strand vol baby rotsjes.

Ik loop een paar meter terug de zee uit en maak van nat zand een bal. Mijn handen vormen en wrijven hem perfect rond terwijl ik terugloop de zee in.

En dan, terwijl twee halfdronken quarantaine-ontsnapten in de oudste dans van de wereld langs me heen jagen, joelen, rennen met kletsende blote voeten op het natte zand, terwijl kinderen van illegaal de grens overgestoken buurlanders kuilen en zandkastelen bouwen in het Duits, terwijl er een leeg blikje red bull tegen mijn enkels klotst en de laatste seconden wegtellen,

breng ik de drie elementen samen met zijn naam.

Zelfs zijn naam is mooi.

Dat het weer zo mag zijn.